Gov’t Mule
Zaterdag 7 november 2009 • Hof Ter Lo Antwerpen
Halverwege de jaren negentig brengt Government Mule een eerste werkstuk uit.
Op dat titelloze debuut profileert gitarist Warren Haynes zich samen met bassist James Woody en drummer Matt Abts als een powertrio dat een soort improvisatoire bluesrock vermengt met invloeden uit southern rock. Haynes en Woody figureren in die periode in de zoveelste reïncarnatie van de Legendarische Allman Brothers Band. Gov’t Mule is oorspronkelijk een hobbyproject dat als vehikel fungeert voor Hayes’ gitaarescapades. Het trio groeit al snel uit tot de ultieme jam band. Ondanks behoorlijk studiowerk zijn het vooral de concerten die overtuigen, talloze liveregistraties vormen de ruggengraat van hun platenoeuvre.

In de zomer van 2000 slaat het noodlot toe als bassist Woody overlijdt. Een enorme klap die de groep niet meteen te boven komt. Abts en Haynes zoeken hun toevlucht tot een reeks gerenommeerde gastbassisten voor hun jamsessions. Het zal vier jaar duren voor Haynes opnieuw in de studio gesignaleerd wordt. Déjà Voodoo’ is de perfecte introductie van nieuwkomers Andy Hess en toetsenman Danny Louis die de leemte opvullen en nieuwe muzikale perspectieven openen. Gov’t Mule is voortaan een kwartet en er sluipen gaandeweg ook andere stijlen in het stevige rockrepertoire. Op ‘Mighty High’, de opvolger van ‘High & Mighty’ wordt naarstig geëxperimenteerd met reggaeklanken en dubsound. Gov’t Mule blijft nog meer dan andere rockformaties voor alles een groep die je op een podium moet proeven. Die live sound is moeilijk te vatten in de studio. Op ‘By A Thread’, één van de sterkste en meest gevarieerde werkstukken van The Mule lukt dat bijzonder aardig. Bassist Hess is ondertussen vervangen door Jorgen Carlsson. Blijkbaar ging daar een intense stageperiode aan vooraf. De basacrobaat is ondertussen geïntegreerd in het organisch geheel, zo bleek zaterdagavond in een behoorlijk gevuld maar niet helemaal uitverkocht Hof Ter Lo. Wellicht hadden de plaatselijke liefhebbers het een beetje laten afweten, we hoorden opvallend veel Duits en French talking in de kern van diehards die de voorste rijen bevolkten. Een concert van The Mule is telkens een feest en als Warren Haynes één van zijn Gibsons omgord laten de fans hun waardering blijken nog voor de man één noot gespeeld heeft. Haynes is niet bepaald groot van stuk maar de langharige gitarist is vergroeid met zijn instrument en als hij de snaren beroert in de opener ‘Hammer & Nails’ doet hij dat meteen in grootse stijl met afwisselend massieve riffs en vloeiende passages. Het melodieuze meerstemmige ‘Million Miles From Yesterday’ vormt een aanloop naar een fraai stel uit de beginperiode dat op herkenningsapplaus wordt onthaald. De tempowisselingen in het broeierige, funky ‘Temporary Saint’ blijven adembenemend. Hetzelfde geldt voor een verpletterend ‘Rocking Horse’ dat Haynes samen met de betreurde Woody en en Gregg Allman, nog steeds Haynes’ occasionele broodheer, componeerde. Het epische ‘Soul Shine’ met rigoureus orgelspel van Danny Louis in het voetspoor van de akkoordenlijnen van Haynes is zo’n typische southern stuff met snarenwerk dat naadloos aansluit bij de verrichtingen van The Allman Brothers. Haynes verslijt in zowat elk nummer een plectrum dat meteen opgevangen wordt door een dankbare fan.

Als ter afronding van de eerste set een selectie uit ‘By A Thread’ wordt opgevoerd blijkt nog eens ondubbelzinnig hoe sterk dat nieuwe werk wel is. De gerobotiseerde, superstrakke Texaanse boogie van ‘Broke Down On The Brazos’ klinkt ook zonder hulp van Billy Gibbons fantastisch. ‘Railroad Boy’ opent als een authentieke deltablues en evolueert even verderop naar een aanstekelijke mengsel dat herinneringen oproept aan het betere werk van Led Zeppelin. Het muzikale epos lost in een bijzonder geslaagde naadloze overgang op in het psychedelisch getinte ‘Monday Mourning Meltdown’, met veel ruimte voor toetsenman Louis. De trompetintro van diezelfde Louis opent na de pauze de score van de tweede set met ‘The Shape I’m In‘. Die klassieker van The Band wordt in een bizarre experimentele benadering uitgespeeld. De muzikale wereld van Haynes is er één van uitersten, een duister dreigend ‘Monkey Hill’ wordt met vervormde megafoonachtige vocalen gedebiteerd. De puntgave wondermooie uitvoering van ‘Need Your Love So Bad’, de klassieker van Little Willie John, benadert de intensiteit van de ultieme versie van Peter Greens Fleetwood Mac. Die lyrische schoonheid vormt een schril contrast met de ongebreidelde exploratiedrift waarbij de afzonderlijke leden uitgebreid loos gaan op free jazz structuren van ‘Devil Like It Slow’, dat uitmond in een … drumsolo. Maar zelfs van dat noodzakelijke kwaad weet de getalenteerde slagwerker Matt Abts iets bijzonders te maken. De overige bandleden verdwijnen even in de coulissen tijdens dit onderhoudend en rijk geschakeerd ritmisch intermezzo. Even later staan ze terug op het podium en brengen ‘Steppin’ Lightly’ een broeierige fusie van rauwe funk op een reggeaanse beatstructuren waarbij de diepe basdreun voor wapperende oren en broekspijpen zorgt. Haynes heeft het vervolgens over een blinde man in het duister, ik ben vooral bezorgt om mijn kostbare gehoororganen en zoek even mijn heil in de lounge om de schade enigszins te beperken, van daaruit hoor ik nog de uit een bluesmedley opgebouwde toegiften. Andermaal een gedenkwaardige, maar voor ondergetekende net iets te oorverdovende, passage van deze getalenteerde muzikale muildieren.

Cis Van Looy / © Foto's: Alfons Maes
Line up:
Warren Haynes
Zang, gitaar
Matt Abts
Drums
Danny Louis
toetsen, ritmegitaar, trompet
Jorgen Carlsson
basgitaar